Hersenkronkel
Het ongelijk van gelijk hebben

De grootste paradox van onze tijd is in mijn ogen dat we steeds meer middelen hebben om de waarheid te vinden, terwijl we steeds minder lijken te weten wat waarheid eigenlijk is. Niet omdat feiten verdwenen zijn, maar omdat het verlangen om gelijk te krijgen steeds vaker belangrijker is geworden dan het verlangen om te begrijpen.
We leven in een tijd waarin meningen sneller worden gevormd dan ooit. Sociale media, talkshows en politieke debatten draaien om standpunten. Wie de meeste bijval krijgt, lijkt gelijk te hebben. Wie de meeste volgers heeft, lijkt het meeste gewicht in de schaal te leggen. Wie de sterkste argumenten presenteert, wordt gezien als de winnaar.
Maar klopt die aanname eigenlijk wel? Misschien is onze grootste vergissing niet dát we van mening verschillen, maar dat we zijn gaan geloven dat het doel van een gesprek is om gelijk te krijgen.
Elkaar (willen) begrijpen vraagt iets fundamenteel anders.
Hoe doen we nog aan waarheidsvinding?
Waarheidsvinding is misschien wel de grootste uitdaging van onze tijd. Niet omdat feiten onbelangrijk zijn geworden, maar omdat steeds minder mensen het eens zijn over wélke feiten als feiten mogen gelden.
Vraag in de Verenigde Staten een overtuigd Democraat naar de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 en je krijgt een ander verhaal dan wanneer je dezelfde vraag stelt aan een overtuigd Republikein. Het verschil zit niet alleen in de interpretatie van de gebeurtenissen. Vaak begint het al bij de selectie van de feiten zelf.
- Welke beelden zijn relevant?
- Welke getuigen zijn geloofwaardig?
- Welke media zijn betrouwbaar?
Zelfs de bronnen waaruit we onze feiten putten, zijn in dit voorbeeld onderdeel geworden van het politieke speelveld. Daardoor is een merkwaardige situatie ontstaan. Vroeger discussieerden we over de betekenis van gedeelde feiten. Tegenwoordig discussiëren we eerst over welke feiten überhaupt mogen meetellen.
Dat maakt waarheidsvinding fundamenteel anders. Wie op zoek is naar de waarheid, kan niet meer volstaan met het verzamelen van informatie. Hij moet eerst onderzoeken waarom hij de ene bron vertrouwt en de andere wantrouwt. En wat eigenlijk nog veel belangrijker is: waarom een ander precies het tegenovergestelde doet.
Misschien is de eerste stap naar waarheid daarom niet het vinden van betere feiten, maar het onderkennen dat ook ons vertrouwen in feiten nooit volledig losstaat van de gemeenschap waartoe we ons rekenen. Waarheidsvinding begint dan niet met de vraag: "Wie heeft gelijk?", maar met een ongemakkelijkere vraag: "Onder welke voorwaarden ben ik bereid mijn eigen bronnen kritisch te bekijken?"
Ook ik ben hierin veranderd. Als tiener en jongvolwassene had ik mijn mening vaak snel klaar. Op basis van wat ik toen wist, trok ik mijn conclusies. Niet omdat ik dogmatisch was, maar omdat ik dacht dat ik al voldoende kennis had en dat die vanzelf tot een juist oordeel leidde. Pas toen ik jarenlang gewerkt had in een multiculturele omgeving, merkte ik hoe verschillend mensen dezelfde werkelijkheid kunnen ervaren zonder dat hun perspectief per definitie onredelijk is. Sindsdien ben ik mijn meningen niet kwijtgeraakt, maar ben ik wel voorzichtiger gaan vasthouden. Ik vorm nog steeds een oordeel, alleen beschouw ik het tegenwoordig als voorlopig.
Meten is weten ...
De mens heeft een onweerstaanbare behoefte om de wereld meetbaar te maken. Het gevaar is dat we een maatstaf vervolgens gaan verwarren met datgene wat we met die maatstaf proberen te realiseren.
- Om ervoor te zorgen dat mensen sneller geholpen worden, kan een ziekenhuis afgerekend worden op de lengte van wachtlijsten. Als kortere wachtlijsten vervolgens leiden tot slechtere zorg, dan zijn we voorbijgegaan aan het oorspronkelijke doel: mensen goed helpen.
- Om de kwaliteit van onderwijs te verbeteren, kunnen scholen afgerekend worden op examenresultaten. Als hogere cijfers ten koste gaan van nieuwsgierigheid, creativiteit en kritisch denken, dan zijn we vergeten waarom onderwijs bestaat.
- Om wetenschappelijke kwaliteit te bevorderen, tellen we publicaties en citaties. Als onderzoekers daardoor vooral publiceren wat snel resultaat oplevert in plaats van wat werkelijk nieuwe inzichten oplevert, dan is de maatstaf belangrijker geworden dan de wetenschap.
- Om burgers beter te informeren, sturen sociale media op betrokkenheid. Als betrokkenheid vooral ontstaat door verontwaardiging en polarisatie, dan zijn we niet langer bezig met informeren, maar met het maximaliseren van aandacht.
- Om economische groei te stimuleren, kijken we naar het bruto binnenlands product. Als het BBP stijgt terwijl welzijn, gezondheid of sociale verbondenheid afnemen, dan groeit de economie misschien wel, maar niet noodzakelijk de samenleving.
Maatstaven zijn onmisbaar. Ze helpen ons richting te geven, verantwoording af te leggen en resultaten te vergelijken. Maar een maatstaf is een middel, geen bestemming.
Zodra we vergeten welk doel een maatstaf eigenlijk dient, lopen we het risico dat niet langer het doel ons gedrag bepaalt, maar de maatstaf zelf. We krijgen uiteindelijk precies datgene waarvoor we beloond worden. Niet omdat mensen hun idealen verliezen, maar omdat elk systeem onvermijdelijk gedrag uitlokt dat aansluit bij zijn eigen meetlat.
Dat roept weer een ongemakkelijke vraag op: meten we misschien simpelweg de verkeerde dingen? Wat zou er gebeuren als scholen nieuwsgierigheid belangrijker maakten dan cijfers? Als bedrijven maatschappelijke waarde zwaarder lieten wegen dan kwartaalwinst? Als sociale media niet betrokkenheid, maar wederzijds begrip zouden belonen?
Misschien moeten we in ons eigen leven minder vragen "Hoeveel heb ik bereikt?" en vaker "Welke betekenis heb ik toegevoegd?". Niet de maatstaf verdient onze aandacht, maar het doel waarvoor we haar ooit hebben bedacht.
De meeste mensen deugen
Rutger Bregman betoogt in De meeste mensen deugen dat de mens van nature veel socialer, coöperatiever en welwillender is dan we vaak aannemen. Dat is een belangrijk tegenwicht tegen een cynisch mensbeeld. Wie ervan uitgaat dat de meeste mensen in wezen het goede willen, kijkt met meer vertrouwen naar de samenleving.
Toch roept die gedachte een vervolgvraag op: als de meeste mensen inderdaad deugen, hoe ontstaan dan polarisatie, onrecht en maatschappelijke ontsporingen? Misschien ligt het antwoord niet in slechte intenties, maar juist in de botsing tussen verschillende opvattingen over wat 'het goede' is.
Vrijwel niemand staat 's ochtends op met het voornemen de wereld slechter te maken. Mensen handelen vanuit waarden, overtuigingen en ervaringen waarvan zij denken dat die bijdragen aan een betere samenleving. Juist daarom kunnen conflicten zo hardnekkig zijn. Niet omdat de één goed is en de ander slecht, maar omdat beiden menen het juiste te doen.
Dat maakt een discussie fundamenteel anders. De vraag verschuift van "Wie heeft de verkeerde bedoelingen?" naar "Vanuit welk mens- en wereldbeeld komt deze overtuiging voort?"
Goede intenties verdienen erkenning, maar ze ontslaan ons niet van de verantwoordelijkheid om ook naar de gevolgen van ons handelen te kijken. Een beleid kan oprecht bedoeld zijn en toch schadelijk uitpakken. Een overtuiging kan nobel zijn en tegelijkertijd blinde vlekken bevatten.
Misschien is dat de belangrijkste les: vertrouwen in de goedheid van mensen hoeft niet te leiden tot naïviteit. Integendeel. Juist als we ervan uitgaan dat de meeste mensen deugen, wordt het des te belangrijker om elkaars aannames, definities en redeneringen zorgvuldig te onderzoeken. Niet om de ander te ontmaskeren, maar om samen dichter bij de werkelijkheid te komen.
De titel van Rutger's boek bevat een cruciale nuance: de meeste mensen deugen. Niet allemaal. Er zijn mensen die door hun omgeving consequent worden ervaren als manipulatief, meedogenloos of uitgesproken egoïstisch. Mensen voor wie het eigen belang structureel zwaarder lijkt te wegen dan dat van anderen. Hun handelen is niet primair gericht op samenwerking, maar op het dienen van het eigen ego.
Juist die uitzondering roept ook een interessante vraag op. Wat onderscheidt deze groep van de meerderheid? Is het een fundamenteel ander mensbeeld, een andere ontwikkeling of een andere manier waarop het ego zich tot de wereld verhoudt?
Misschien moeten we ons daarom twee essentiële vragen durven stellen: vanuit welk mens- en wereldbeeld komen overtuigingen voort en waarom deugen sommige mensen juist niet? Pas wanneer beide vragen onderzocht worden, ontstaat een completer beeld van de menselijke natuur.
Het nummer Black or White van Michael Jackson gaat in de kern over gelijkwaardige behandeling van mensen, ongeacht hun huidskleur. Dat is niet het centrale onderwerp van dit essay. Eén zin uit het nummer sluit echter naadloos aan bij de boodschap van dit essay:
I'd rather hear both sides of the tale
Juist gelijkwaardige behandeling is een onderwerp waar mensen fundamenteel verschillend naar kijken. Daarmee vormt het een treffend voorbeeld van de vraag die in dit essay centraal staat: vanuit welk mens- en wereldbeeld komen overtuigingen voort?
Polarisatie is zo erg nog niet
Polarisatie heeft een slechte naam. We spreken erover alsof het een maatschappelijk probleem is dat zo snel mogelijk opgelost moet worden. Alsof een samenleving zonder tegenstellingen vanzelf beter zou functioneren. Is dat wel zo?
Een gezonde samenleving kent nu eenmaal verschillende belangen, overtuigingen en wereldbeelden. Dat is geen zwakte, maar een teken van verscheidenheid. Democratie veronderstelt zelfs dat die verschillen bestaan.
Misschien is polarisatie daarom niet het echte probleem. Er ontstaat pas een probleem wanneer een tegenstelling verandert in verkettering. Wanneer de ander niet langer wordt gezien als iemand met een andere afweging, maar als iemand die kwaadaardig, dom of gevaarlijk is.
Dat zien we terug in Nederland in het migratiedebat. De discussie lijkt te gaan over de opvang van asielzoekers. In werkelijkheid lopen er vaak heel verschillende zorgen door elkaar.
- De één maakt zich zorgen over de beschikbaarheid van woningen
- Een ander over de betaalbaarheid van publieke voorzieningen
- Weer een ander wantrouwt de overheid en ziet migratie als bewijs dat bestuurders de grip zijn verloren
- Sommigen geloven dat er sprake is van een doelbewuste 'omvolking'.
Al deze zorgen worden vervolgens samengebracht onder één label: vóór of tegen migratie zijn.
Daardoor bestrijden mensen elkaar op een onderwerp waarover ze het misschien niet eens werkelijk oneens zijn.
- Wie in zijn eigen woonplaats een tekort aan woningen wil oplossen, voert ongemerkt een debat over de spreidingswet.
- Wie het vertrouwen in de overheid kwijt is, richt zijn frustratie op een asielzoekerscentrum.
- Wie bang is voor culturele verandering, spreekt over opvangcapaciteit.
De zichtbare tegenstelling is dan niet de werkelijke tegenstelling. Misschien verklaart dat ook waarom zoveel discussies zo weinig opleveren. We reageren op elkaars standpunten, terwijl we elkaars werkelijke zorgen nooit hebben gehoord.
Misschien is de vraag daarom niet hoe we polarisatie kunnen verminderen. Misschien moeten we eerst beter leren onderscheiden waar een conflict werkelijk over gaat. Mensen polariseren zelden over migratie, stikstof of klimaat. Dat zijn de zichtbare dossiers. Daaronder liggen vaak diepere tegenstellingen, die eigenlijk besproken zouden moeten worden:
- vertrouwen ↔ wantrouwen
- zekerheid ↔ onzekerheid
- autonomie ↔ afhankelijkheid
- identiteit ↔ verandering
- rechtvaardigheid ↔ bestaanszekerheid.
Begrijpen vraagt vertraging
Het grootste verschil tussen gelijk krijgen en begrijpen is misschien wel het tempo.
Gelijk krijgen vraagt snelheid.
Een reactie.
Een weerwoord.
Een overwinning.
Begrijpen vraagt het tegenovergestelde.
Nieuwsgierigheid.
Twijfel.
De bereidheid om een eigen overtuiging, al is het maar tijdelijk, tussen haakjes te zetten. Niet om haar op te geven, maar om haar beter te leren kennen.
Misschien is dat ook wel de grootste uitdaging van onze democratie.
Politiek vraagt om zorgvuldige afwegingen. Dat kost tijd. Die tijd nemen we ook: Kamerdebatten duren vaak uren, soms zelfs dagen. Toch lijken ze zelden bedoeld om elkaar werkelijk te begrijpen. Ze zijn vooral het podium waarop partijen hun standpunten verdedigen, verschillen uitvergroten en de eigen achterban bedienen.
Een debat is daarmee steeds minder een gezamenlijk onderzoek naar de beste oplossing en steeds vaker een strijd om het meest overtuigende verhaal.
Misschien moeten we ons daarom nog een ongemakkelijke vraag durven stellen. Als politiek vooral bestaat uit het herhalen van vooraf ingenomen standpunten, in hoeverre gebruiken we de beschikbare tijd dan nog om tot betere besluiten te komen?
Begrijpen vraagt vertraging. Niet om besluitvorming eindeloos uit te stellen, maar om ervoor te zorgen dat een besluit méér wordt dan de optelsom van reeds bestaande overtuigingen.
Tot slot
Misschien beschikken we tegenwoordig inderdaad over meer middelen dan ooit om de waarheid te vinden. Maar zolang het verlangen om gelijk te krijgen groter blijft dan het verlangen om te begrijpen, zullen die middelen ons niet dichter bij elkaar brengen.
Misschien schuilt daarin wel het werkelijke ongelijk van gelijk hebben. Niet omdat gelijk onbelangrijk is, maar omdat een middel langzaam een doel is geworden. Gelijk krijgen was ooit een hulpmiddel om dichter bij de waarheid te komen. Feiten waren een hulpmiddel om de werkelijkheid beter te begrijpen. Maatstaven hielpen ons kwaliteit te verbeteren. Politieke debatten waren bedoeld om tot betere besluiten te komen.
Misschien zijn we onderweg vergeten waarom we die middelen ooit hebben ontwikkeld.
Waarheidsvinding begint daarom niet bij het overtuigen van de ander, maar bij de bereidheid om de eigen overtuiging steeds opnieuw te onderzoeken. Niet om haar op te geven, maar om haar te toetsen aan een werkelijkheid die altijd complexer is dan onze eigen voorstelling ervan.
De belangrijkste vraag is daarom niet: "Heb ik gelijk?", maar: "Dient wat ik doe nog het doel waarvoor ik het ooit ben gaan doen?"

